Neem bij (een vermoeden van) medische problemen bij jouw hond altijd contact op met de dierenarts.

Dorst bij de hond

Veel drinken is een symptoom dat kan passen bij verschillende afwijkingen.

Het is daarom goed om eens de oorzaken van veel plassen / veel drinken, in vaktermen polyurie / polidipsie (afgekort pu/pd) voor u op een rij te zetten.

Partners
Bol.com
grootste assortiment
Petsplace.nl
grootste dierenketen
Hondenbed.nl
bedden en manden

Ik schrijf opzettelijk ‘veel plassen / veel drinken’; in deze volgorde dus. Ik leg u uit waarom.

Een hond die veel drinkt, doet dat omdat hij dorst heeft. Logisch, hoor ik u denken!

Wanneer heb je dorst? Als het lichaam ‘vraagt’ om vocht. En dat doet het alleen als er een tekort aan vocht is. Bedenk dan dus steeds dat er eerst vochtverlies optreedt.

Door gebrek aan vocht ontstaat dorst. Pas dan gaat de hond drinken om het aan te vullen; zo veel als nodig is. Dus: eerst veel plassen en dan pas veel drinken.

Als ik dat zo uitleg, begrijpt u waarom het zo gevaarlijk is om een dorstige hond water te weigeren.

De stelregel: Ik geef hem ’s avonds maar geen water meer, dan plast hij ’s nachts tenminste niet in huis, is dus helemaal verkeerd en kan in sommige gevallen een levensbedreigende uitdroging tot gevolg hebben.

Aqualist

Er is een uitzondering op deze regel. Dat is de ‘Aqualist’ of ‘Waterverslaafde’. De psychogene drinker.

De hond die uit gewoonte of aandachttrekkerij veel drinkt. Dat is een hond die veel drinkt en dáárdoor veel plast. Dus andersom.

Deze Aqualist komt zelden voor en kan soms wel 15 liter water per etmaal drinken. Als je zo’n ‘Aqualist minder te drinken geeft, zie je in het urineonderzoek dat de nieren vanzelf zuiniger met het vocht gaan omspringen en de concentratie van de urine toeneemt.

Dat zien we bij de andere afwijkingen niet gebeuren. U moet dus wel heel zeker van de diagnose ‘Aqualisme’ zijn om de hoeveelheid water te beperken.

Uitdroging

Zeker als er nog eens sprake is van braken en diarree, waardoor er nog eens extra vochtverlies optreedt, moeten we eerder denken aan vocht toedienen dan onthouden.

Als de patiënt dan ook nog weigert te drinken omdat hij zich ziek voelt of dat alles wat gedronken is er onmiddellijk weer uitgegooid wordt, droogt het dier uit en is het te begrijpen dat dierenartsen snel klaar staan met infusen onder het motto: beter te vroeg dan te laat.

Vooral jonge en oude dieren kunnen veel schade ondervinden van uitdroging.

Wat is veel?

Vaak vragen mensen: Maar wat is nou teveel drinken?

Wat de één veel vindt, beschouwt de ander als normaal. Soms vindt een eigenaar, dat z’n hond te veel drinkt, omdat de ‘vorige’ te weinig dronk.

Vuistregel voor de hoeveelheid water per etmaal is: 50ml per kg lichaamsgewicht per etmaal.

Een hond van 20 kg lichaamsgewicht moet dan ongeveer 1 liter per etmaal drinken, één van 60 kg dus 3 liter.

Natuurlijk spelen uitwendige factoren een belangrijke rol: omgevingstemperatuur, hoeveelheid lichaamsbeweging, droogvoer, medicijnen, etc.

Soortelijk gewicht

De dierenarts kan aan de concentratie van de urine bepalen of er werkelijk sprake is van veel drinken. Hij meet dan het soortelijk gewicht van de urine.

Normaal is het soortelijk gewicht (s.g.) van de urine bij een hond tussen de 1.015 – 1.045. Als we dat s.g. bepalen moeten we dat niet in 1 urinemonster doen, maar in minstens 3. De monsters moeten op verschillende momenten van de dag of op verschillende dagen zijn opgevangen of afgenomen.

Er zit namelijk nog wel eens wat variatie in het soortelijk gewicht. Een bepaling in meerdere monsters, maakt de kans op foutieve conclusies kleiner.

De oorzaken

Bij de volgende ziekten zien we het symptoom ‘dorst’:

  • Suikerziekte of Diabetes mellitus
  • Ziekte van Cushing of overproduktie van bijnierschorshormonen
  • Schrompelnier of chronische nierinsufficientie
  • Pyometra of chronische baarmoederontsteking
  • Diabetes insipidus of verlies aan concentrerend vermogen
  • Pancreasatrofie of onvoldoende alvleesklierwerking

Suikerziekte

Hoe suikerziekte ontstaat, weten we niet precies. De hormoonhuishouding speelt er zeker een beslissende rol bij.

Suikerziekte komt voornamelijk voor bij de teef. Opvallend is dat het ontstaat direct in aansluiting op de loopsheid. Als het bij een (gecastreerde) reu voorkomt, hebben we meestal (ook) te maken met de Ziekte van Cushing (zie punt 2).

Let op! Als een teef direct na de loopsheid veel drinkt, laat dan altijd het bloed controleren (vooral ook) op suiker. Ook al is er (nog) geen suiker in de urine te vinden. In het voorstadium van suikerziekte (de ‘pre-diabetes’) is de suikerspiegel in het bloed weliswaar verhoogd, maar is er nog geen suiker in de urine aan te tonen.

In de fase van pre-diabetes kan een operatie (verwijderen van baarmoeder en vooral ook de eierstokken) in veel gevallen voorkomen dat de hond werkelijk suikerziekte ontwikkelt.

Als het suikergehalte eenmaal zó hoog is in het bloed dat het ook in de urine aantoonbaar is, kan men door de operatie niet meer de suikerziekte opheffen. Ook dan blijft een sterilisatie / castratie toch nog aangewezen omdat hormoonschommelingen het instellen van de insulinebehoefte steeds in de war kan sturen.

Reguleren van een niet geopereerde suikerziektepatiënt is zeer veel moeilijker.

Kenmerkend beeld

Voorstadium (‘prediabetes’): Veel plassen / veel drinken. Direct in aansluiting op de loopsheid. Sg urine te laag. Geen suiker in urine. Suiker in bloed (iets) verhoogd. Suikerziekte (‘diabetes’): Veel plassen / veel drinken. Veel eten. Vermageren. Direct in aansluiting op de loopsheid. S.g. urine te hoog (door suiker). Suiker in urine en bloed te hoog. (Voor de reu: Zie punt 2).

Ziekte van Cushing

Bij de Ziekte van Cushing is er sprake van een te grote productie van bijnierschorshormonen door de bijnierschors. De oorzaak kan liggen in de bijnierschors zelf, of in de hypofyse, het besturingscentrum in de hersenen van de gehele hormoonhuishouding.

Bij verdenking van deze ziekte doen we een urine- en/of bloedonderzoek om de diagnose te bevestigen en om vast te stellen waar de oorzaak ligt, bijnierschors of hypofyse. Tevens is belangrijk te weten of er wel of niet een kwaadaardig proces ten grondslag ligt aan de storing.

Om een en ander vast te stellen is het nodig om de patiënt eenmalig of enkele keren hoge doses bijnierschorshormonen toe te dienen. Dat is om te zien hoe het lichaam op de hormonen reageert en dat levert ons dan weer waardevolle informatie.

Soms geeft dat wat verzet bij een eigenaar van een verdachte Cushing patiënt. Als we over bijnierschorshormonen praten, denken we natuurlijk meteen aan prednison. En dat middel heeft een slechte naam.

Toch hoeft u zich geen zorgen te maken over de kortstondige toediening omdat alleen langdurige toediening van bijnierschorshormonen of corticosteroïden ernstige gevolgen heeft.

Partners
Bol.com
grootste assortiment
Petsplace.nl
grootste dierenketen
Hondenbed.nl
bedden en manden

De test is nuttig om te kunnen vaststellen wat we eraan gaan doen: behandeling met medicijnen of een operatie. De internisten zijn de laatste tijd best wel positiever geworden over de resultaten van de Cushing behandeling. Gelukkig maar! Niettemin blijft het een erg moeilijke patiënt.

Kenmerkend beeld

Ziekte van Cushing: Veel plassen / veel drinken. Veel eten. Vetzucht. Haaruitval, kaalheid, dunne gepigmenteerde huid, beginnend op de rug, zonder jeuk. Opgeblazen ‘gevoel’, onrust. S.g. urine te laag. Soms samen met beeld van suikerziekte (gecastreerde reu).

Schrompelnier

De naam ‘schrompelnier’ komt door het feit dat chronische ontstekingen en daarna littekentjes ervoor zorgen dat de nieren harder en kleiner worden, waardoor het functionele weefsel in omvang afneemt.

De afwijking komt meestal voor bij de oude hond. Als de nieren weliswaar meer water uitscheiden, maar minder afvalproducten van bijvoorbeeld de eiwitstofwisseling, treedt er geleidelijk aan een vergiftiging van het lichaam op.

Het afvalproduct van de eiwitstofwisseling noemen we ureum. En als er te veel ureum in het bloed zit, spreken we van uremie.

Zo’n schrompelnier als gevolg van een chronische nierweefsel ontsteking is niet meer te genezen, helaas.

Toch blijkt in de praktijk, dat soms ogenschijnlijk ernstige nierpatiënten, nog een flinke hoeveelheid ‘blessuretijd’ erbij krijgen.

Dat betekent, dat we voor de prognose stelling van zo’n patiënt niet alleen naar de bloedwaarden moeten kijken, maar vooral ook naar hoe de patiënt het verder doet.

Nierdieet

Belangrijk is dat de nierpatiënt zo snel mogelijk en consequent op een nierdieet gaat.

De belangrijkste kracht van het nierdieet is dat er minder eiwit in zit en van een veel betere kwaliteit dan in een normaal voeder, zodat er minder afvalproducten geproduceerd worden.

De keuze valt meestal op een vakkundig fabrieksmatig samengesteld nierdieet. Niet ieder zgn. nierdieet is ook een goed nierdieet.

Vraag uw dierenarts om raad. Hij kan u, afhankelijk van de ernst een seniorendieet, nierdieet of zelfs uremie dieet (in ernstige gevallen) voorschrijven.

Als uw nierpatiënt niet de fabrieksmatig bereide nierdieten wil eten, kunt u het proberen met een zelfgemaakte voeding. Want eten moet ie, anders verliest hij nog meer conditie.

Als voedingsmiddelen met een hoge biologische eiwitwaarde kunnen we noemen: kippenvlees, kippenei en melkproducten, zoals vla, yoghurt, e.d.

Kenmerkend beeld

Schrompelnier: Veel plassen / veel drinken. Vaak minder eten. Vaak wat vermageren. Vaker braken. Vaak wat minder actief. Vaak betekent dus niet altijd! S.g. urine te laag (meestal 1.010). Ureum en kreatinine in het bloed verhoogd.

Pyometra

De term ‘pyometra’ staat voor een chronische baarmoederontsteking met ophoping van veel etter of bloederig etter in de baarmoeder. De pyometra manifesteert zich veelal 1 – 2 maanden na de loopsheid.

Er is maar één goede oplossing, en dat is een ovariohysterectomie of vertaald in het Nederlands, het verwijderen van baarmoeder en eierstokken.

Kenmerkend beeld

Veel plassen / veel drinken. Soms minder eten. Vaak geen zichtbare uitvloeiing! Likken aan de vulva (ook als er geen uitvloeiing is). 1 – 2 maanden na de loopsheid (suikerziekte direct in aansluiting op de loopsheid). Vaak geen koorts. S.g. urine te laag. Bloed: sterk verhoogd aantal witte bloedcellen (ontsteking!). Echografie: Vergrote baarmoeder met vloeibare inhoud.

Diabetes insipidus

Dit heeft niks te maken met suikerziekte, ook al wordt de laatste wel eens afgekort tot ‘diabetes’.

De nieren kunnen bij deze afwijking het water minder goed ‘vasthouden’. Verder is er niks aan de hand.

De mogelijkheid van het lichaam om zuinig om te springen met water wordt gerealiseerd door een hormoon uit de hypofyse, het zgn. anti-diuretisch hormoon of A.D.H. ‘Diurese’ betekent ‘urine-uitscheiding’.

Er kan op 2 plekken iets mis gaan: In de hypofyse en in de nieren. Of het hormoon wordt niet meer geproduceerd in de hypofyse of de plek waar het hormoon z’n werk moet doen in de nieren is niet meer functioneel.

In het eerste geval spreken van centrale diabetes insipidus, in het tweede van een nefrogene diabetes insipidus.

Bij de centrale vorm drinkt de patiënt soms wel 15 liter water per etmaal. Bij de nefrogene vorm is dit een stuk minder, maar toch te veel.

Kenmerkend beeld

Centrale diabetes insipidus: Veel plassen / veel drinken. Niet zelden 10 – 15 liter water per etmaal (!). S.g. urine zeer laag (1.000 = water). Nefrogene diabetes insipidus: Veel plassen / veel drinken. Veel minder drinken dan de centrale vorm. S.g. urine laag.

Pancreasatrofie

Het beeld van de pancreasatrofie of onvoldoende alvleesklierwerking lijkt heel veel op suikerziekte. Opvallend daarbij is de productie van ontzettend veel stopverfkleurige ontlasting.

We vinden echter geen verhoogd suikergehalte in urine en bloed, zoals bij suikerziekte. De oorzaak van de klachten is een gebrek aan verteringsenzymen, waardoor het voedsel onvoldoende verteerd wordt en dus in grote hoeveelheid via de ‘achterdeur’ onbenut geloosd wordt.

De prognose van deze afwijking moet zeer gereserveerd gesteld worden; vooral bij Duitse Herders kan die slecht zijn.

De juiste diagnose stellen we in het bloed (en dus niet in de ontlasting). We bepalen dan, bij een nuchtere patiënt, de TLI-waarde; die mag niet onder de ‘5’ komen.

Kenmerkend beeld

Pancreasatrofie: Veel plassen / veel drinken. Veel eten. Enorm vermageren. Veel stopverfkleurige ontlasting. S.g. urine te laag. Bloed: TLI-waarde < 5.

Tot slot

Ik ben me ervan bewust niet alle mogelijkheden besproken te hebben. De genoemde afwijkingen zijn wel de meest voor de hand liggende.

Belangrijk is te weten dat ook bepaalde medicijnen veel plassen en veel drinken kunnen veroorzaken.

Bekend zijn in dit verband de corticosteroïden of bijnierschorshormonen. Het is een veelvuldig toegepast middel bij de meest uiteenlopende klachten wegens zijn goede werking als ontstekingsremmer en anti-jeukmiddel.

Ook bij bijvoorbeeld leverlijden (bv. tumoren) zien we veel plassen en veel drinken. Daar komen we achter via echografie en een leverbiopsie.

Over de Aqualist, de Waterverslaafde, hebben we het al even gehad. Die drinkt zoveel, dat hij gemakkelijk te verwisselen is met een centrale diabetes insipidus.

Zeker voor de Aqualist geldt, dat een volledig passend middel gevonden moet worden om succes te hebben. Het gaat bij deze patiënt in feite om een gedragsprobleem.

Neem bij (een vermoeden van) medische problemen bij jouw hond altijd contact op met de dierenarts.