Groeipijn

Groeipijn is een aandoening die voorkomt bij honden in de groei. Zolang honden groeien, is het een ziekte met evidente klachten. Als de hond geheel is uitgegroeid (rond de 18 maanden) dan gaat het ziektebeeld vanzelf over. Het is een aandoening die veel symptomen kent en die qua klachtenbeeld veel lijkt op ernstige aandoeningen als elleboogdysplasie of heupdysplasie en vele andere aandoeningen die een jonge hond kreupel kunnen laten lopen. De diagnose luidt pas groeipijn als alle andere aandoeningen zijn uitgesloten. De symptomen openbaren zich op een
leeftijd van 4-6 maanden en kunnen aanwezig blijven tot een leeftijd van 18 maanden. Het komt vooral veel voor bij honden van snelgroeiende grote hondenrassen. Overigens wordt groeipijn ook gediagnosticeerd bij kortbenige rassen als de Engelse en Franse Bulldog. Opvallend is dat de aandoening vaak gezien wordt bij Duitse Herders.


Het ontstaan
Het feit dat deze aandoening vele namen heeft in de wetenschappelijke literatuur (eosinophyle panostitis, enostosis, etc.) is waarschijnlijk het gevolg van het feit dat er verschillend gedacht wordt over de oorzaak van de
groeipijn. De meest gangbare verklaring is de volgende.
Eerst het een en ander over de groei, de anatomie en opbouw van een bot. Een bot bestaat uit een stevige buitenkant ook wel de schors (cortex) genoemd en het merg (medulla). Om het bot ligt het beenvlies (periost). In een bot zien we twee vormen van groei. Ten eerste de groei via de groeischijven waarlangs lengtegroei plaatsvindt, ten tweede de
diktegroei die plaatsvindt onder het beenvlies (periost). Het bot wordt gevoed via bloedvaten. Deze bloedvaten gaan via voedingskanalen het bot in (figuur 1). Zoals u ook op deze tekening kunt zien, is het bot geheel bedekt met het beenvlies. Via spieren die aanhechten op het bot en dus op het beenvlies kan een lichaam bewegen. Het beenvlies is dus in feite verantwoordelijk voor het overbrengen van spierkracht op het bot en voor de groter wordende diameter van een bot tijdens de groei. Het beenvlies is zeer goed voorzien van zenuwen en daarmee het gevoeligste deel
van een bot. Denk maar eens aan een schop tegen het scheenbeen. Zoals u wellicht weet, zijn er twee typen bloedvaten; de aanvoerende (arteriën) en de afvoerende bloedvaten (venen). Er is een opmerkelijk verschil in de
opbouw van een arterie en van een vene. Dat heeft te maken met de functie. In een aanvoerend vat is de druk hoog. Het is een slagader die direct van het hart afkomstig is. In een afvoerend vat is de bloeddruk laag.
Een arterie heeft daarom een dikke wand en de vene een dunne wand. Via een voedingskanaal gaat een aanvoerend vat het bot in en een afvoerend vat het bot uit .


Bij een groeiende hond gebeurt er gigantisch veel met een bot. Het wordt langer en de diameter neemt toe. Verhoudingsgewijs wordt de schors dikker. Ten gevolge van de groei neemt ook de voedingsbehoefte toe en worden dus de bloedvaten zowel aan- als afvoerend groter. Deze vaten moeten dan door een voedingskanaal dat ook een grotere diameter zou moeten krijgen. Het voedingskanaal bij een groeiende hond moet dus in omvang toenemen. Om groter te kunnen worden, moet het lichaam het oude voedingskanaal vergroten (remodelleren). Er moet in feite bot
afgebroken worden. En daar gaat het dus mis bij de hond met groeipijn (enostosis). In feite overheerst de groei en vergeet het lichaam dit stuk bot af te breken. Netto resultaat is een relatief te klein voedingskanaal (figuur 2). Door dit te kleine voedingskanaal gaan een relatief te grote arterie en vene. Zoals al besproken heerst er in de arterie een hoge bloeddruk en heeft dit vat een dikke wand en de vene heeft een lage druk en een dunne wand. Dit laatste vat zal dus deels dichtgedrukt worden. Het gevolg is dat er makkelijker bloed het bot in gaat dan uit. Het bloed zoekt een andere uitweg en het gevolg is dat het beenvlies figuurlijk van het bot afgedrukt wordt. Het  gevoelige periost zal dan dus pijnlijk worden, zeker als het loslaten van het beenvlies in de buurt zit van een spieraanhechting. De pijn die dan ontstaat, wordt door ons groeipijn of enostosis genoemd.

Dierenarts
Het ziektebeeld groeipijn heeft vele verschijningsvormen. Wat het nog ingewikkelder maakt, is dat de intensiteit van de klachten wisselt in de tijd en bovenal wisselt de pijn ook per ledemaat. De gemiddelde hond met groeipijn loopt kreupel, vaak wisselend, zonder oorzakelijk verband. Overigens kunnen de klachten ook heel ernstig ogen; een hond die niet wil lopen, koorts heeft (temperatuur hoger dan 39 graden celsius) en die vaak niet of slecht eet. Vaak wordt aan vanalles gedacht (vergiftigingen, botulisme, bloedvergiftiging, baarmoederontstekingen) behalve aan
groeipijn. Tijdens het onderzoek van de hond door de dierenarts valt vaak op dat de hond pijnlijk is aan meerdere gewrichten, vooral tijdens het overstrekken en overbuigen van een gewricht. Vaak zijn aan deze pijnlijke gewrichten
geen andere afwijkingen te vinden die zouden kunnen passen bij een probleem in het betreffende gewricht (overvulling met gewrichtsvloeistof, krakende sensatie tijdens bewegen). Wat vaak wel opvallend is, is dat de lange pijpbeenderen, zoals spaakbeen en scheenbeen, gevoelig zijn tijdens directe druk op het beenvlies.
 

Röntgenonderzoek
Op basis van de bevinding drukgevoeligheid van de lange pijpbeenderen mag de verdenking op groeipijn uitgesproken worden. Overigens dienen we de aandoening wel radiologisch te bevestigen en andere orthopedische aandoeningen uit te sluiten. De volgende stap in het onderzoek zal dus röntgenonderzoek zijn.
De veranderingen die we aantreffen bij de klassieke patiënt met enostosis zijn verdichtingen van het merg (de medulla) van het bot en verdikkingen van de schors (cortex) van het bot.
Het is niet altijd mogelijk de verdenking op groeipijn te bevestigen met röntgenfoto’s. In dergelijke gevallen zal een hond toch verdacht blijven van groeipijn wanneer er op deze opnamen geen andere oorzaak voor pijnlijkheid wordt gevonden. Wanneer er wel andere afwijkingen gevonden worden op de röntgenfoto’s sluit dit groeipijn niet uit. Immers groeipijn kan ook tegelijk met andere afwijkingen voorkomen.
 

De behandeling
Indien we een hond met groeipijn behandelen dan moeten we in ons achterhoofd houden wat de pijn veroorzaakt en dat de symptomen wisselen in de loop van de tijd. Zolang we de indruk hebben dat de hond last heeft van de loslatingen van het beenvlies, zullen we hem behandelen. De behandeling bestaat uit een aangepast bewegingsschema in combinatie met een ontstekingsremmer/pijnstiller. Stoffen die een dergelijke werking hebben noemen we NSAID’s (non steroidal anti inflammatoire drugs).

De werking van deze stoffen is tweeledig. Ten eerste komen er tijdens het proces van loslating van het beenvlies stoffen vrij (ontstekingsmediatoren) die rechtstreeks de zenuwen prikkelen die in het beenvlies zitten. De hond registreert deze prikkeling van de zenuwen als pijn. Door nu een NSAID te geven, wordt de productie van deze stoffen
geremd en neemt dus de pijn af. Dezelfde stof die pijn veroorzaakt (de ontstekingsmediator) heeft nog een andere belangrijke werking in het lichaam. Het heeft namelijk effect op een cascade van reacties die gepaard gaan met meer doorbloeding, zwelling en een toegenomen temperatuur van een aangedaan gebied. Na het stoten van ons scheenbeen
hebben we pijn omdat ontstekingsmediatoren onze zenuwuiteinden in het beenvlies prikkelen. De ontstekingsproducten zetten ook een proces in gang van vermeerderde doorbloeding en zwelling en verhoogde temperatuur. Dit uit zich in de vorm van een pijnlijke rode (meer doorbloeding), warme (verhoogde temperatuur) bult (zwelling). Deze cascade
die optreedt bij elke vorm van ontsteking wordt dus in gang gezet door ontstekingsmediatoren. De productie van deze stoffen worden door NSAID’s geremd. Daarmee wordt de reactie onderdrukt. Dit is dus de tweede belangrijke werking van een onststekingsremmer/pijnstiller. Naast symptoombestrijding is ook preventie mogelijk. Aan de basis van
deze preventie staat een goede voeding voor snel groeiende grote hondenrassen. Er is een directe relatie vastgesteld tussen het ontstaan van enostose en voeding met een verkeerde verhouding calcium en vitamine D. Met name de hoeveelheid in grammen per energie-eenheid is van belang.

Helaas vermelden de meeste voedingsfabrikanten het aantal grammen calcium en vitamine D per honderd gram voedsel. Echter wat van belang is, is hoeveel energie dit voer bevat per honderd gram. Als de voeding relatief energiearm is dan moet de hond in de groei daar meer van eten om voldoende energie binnen te krijgen. Als nu de hoeveelheid
calcium en vitamine D relatief laag is in 100 gram voer maar het voer is ook energiearm, dan moet de hond in totaal meer voer eten en krijgt hij dus in totaal ook meer calcium en vitamine D binnen. De voeders van bijvoorbeeld Eukanuba en Hills (large breed oftewel voer voor snel groeiende grote hondenrassen) bevatten de ideale concentratie calcium en vitamine D per energie-eenheid. Met name de hoeveelheid in grammen per energie-eenheid is van belang.


Wij adviseren u dan ook om voeders van een gerenommeerd merk te geven aan elke pup van een snelgroeiend hondenras. Er is door middel van onderzoek aangetoond dat de kans op groeipijn verminderd wordt als de pups vanaf het spenen (dus nog bij de moeder) dit voer aangeboden krijgen. Overigens is vermeldenswaardig dat er van voeding met
een relatief te hoog gehalte aan calcium en vitamine D ook bekend is dat het andere orthopedische problemen in de hand werkt (bijvoorbeeld OCD, een ernstige orthopedische aandoening die zich in vele gewrichten kan manifesteren). Veelal wordt geadviseerd over te gaan op voeding voor de volwassen hond omdat daar relatief minder calcium en vitamine D in zit. De energiehoeveelheid per 100 gram is echter ook lager en daarmee de totale opname van calcium en vitamine D mogelijk nog te hoog. 
  
Voor meer  informatie en of een uitstekende behandeling gaat u naar Diergeneeskundig Orthopedisch Centrum Amsterdam


Vragen over je hond? stel ze op het Hondenforum