De geboorte bij de hond

Inleiding
De geboorte, of het nu die van de mens zelf of die van dieren betreft, is een van de meest indrukwekkende levensprocessen die we kennen. De uitdrijving van de vrucht(en), de verbreking van de navelstreng, en het op gang komen van de ademhaling, het zijn de eerste noodzakelijke stappen op weg naar een nieuw zelfstandig leven. Mensen die met dieren omgaan en de voortplanting daarvan, al of niet in het kader van een georganiseerde fokkerij, sturen en/of begeleiden, kunnen het geboorteproces geregeld zelf meemaken. De fascinatie die hierbij wordt beleefd zal alleen maar toenemen indien men meer inzicht heeft in de biologische achtergronden van de geboorte. Bovendien heeft de eigenaar van dieren de morele plicht om het barende dier, indien nodig, te helpen, al was het alleen maar door zijn of haar aanwezigheid. Dit laatste is in het bijzonder van toepassing op de geboorte bij honden. De eigenaar heeft hier in feite de beschermende rol te spelen van de reu, die zich bij vele van de wilde verwanten van de hond ophoudt vlak bij, of zelfs in het hol waar de geboorte plaats vindt. 

Hoe en wanneer wordt dracht vastgesteld
Natuurlijk zijn de meeste eigenaren op de eerste plaats nieuwsgierig of hun teef na dekking (of kunstmatige inseminatie) ook werkelijk drachtig is geworden. Maar het is ook nuttig om dit te weten te komen: voor de eigenaar, om het dier extra te kunnen verzorgen en bijtijds voorbereidingen te treffen voor de geboorte en de verzorging van een nest met pups; voor de dierenarts om af te wegen welke onderzoeks- of behandelings-methode kan/mag worden toegepast wanneer de eigenaar zich met klachten meldt. De dierenarts heeft verschillende mogelijkheden om de hond op dracht te onderzoeken. Hierbij is het van belang te weten hoe ver de dracht reeds gevorderd zou kunnen zijn. Het wordt daarom aangeraden de dekdatum of dekdata (niet te verwisselen met de dag waarop de loopsheid begint!) altijd te noteren. Met de eerste dekdatum als aftelpunt is het overigens al niet mogelijk om het exacte begin van de dracht (de bevruchting van de eicellen) aan te geven. Zonder extra onderzoek van de dierenarts weten we namelijk niet precies wanneer de eicellen uit de eierstokken vrijkomen. Volgens sommige onderzoekers kunnen dekkingen die resulteren in een dracht in de meest extreme gevallen zelfs plaats vinden van 5 dagen voor tot 5 dagen na de ovulatie. In de praktijk nemen we echter gemakshalve maar aan dat de dracht begint op, of vlak na de dag van de eerste dekking. De hond kan dan rond het einde van de 4e en het begin van de 5e week door zogenaamde buikpalpatie worden onderzocht. De plaatsen in de baarmoeder waar zich de vruchtjes ontwikkelen (vruchtkamers) zijn in dat stadium als harde ronde zwellingen voelbaar. Spoedig daarna is dit al niet meer het geval omdat de hoeveelheid vruchtwater veel groter wordt en de wand van de baarmoeder verslapt. Vanaf ongeveer de 40e dag na dekking kunnen de kloppende hartjes en/of de pulsatie’s van het bloed in de navelstreng van de foetjes hoorbaar worden gemaakt met een zogenaamd Doppler apparaat. Na afloop van de 6e week (liever nog iets later, i.v.m de toenemende verbening van het skelet van de vruchtjes) kan een rontgenfoto worden gemaakt. Deze laatste methode heeft als voordeel dat tevens het aantal te verwachten pups kan worden geteld. Tegenwoordig zullen heel veel dierenartsen ook een echoscopisch onderzoek uitvoeren, waarbij de inhoud van de baarmoeder zichtbaar wordt gemaakt. Dit kan vanaf ongeveer 3 ½ week na dekking uitsluitsel geven. Telling van het aantal pups is daarbij in principe mogelijk, maar is bij grote aantallen pups tot nu toe erg onnauwkeurig gebleken. 

Hoe lang duurt de dracht
Om bijtijds de nodige voorbereidingen voor de geboorte te kunnen treffen dient een eigenaar te weten wanneer de hond is “uitgeteld”. Ook hier doet zich weer het probleem voor dat we in de meeste gevallen niet weten wanneer de dracht nu eigenlijk precies is begonnen. Maar zelfs indien we dat aftelpunt wel kunnen inschatten (bijvoorbeeld door progesteronbepalingen in het bloed tijdens de loopsheid), blijkt er een opvallend grote variatie te bestaan in de duur van de dracht bij de hond. Gerekend vanaf de dag van eerste dekking komen we uit op een gemiddelde van 62-63 dagen, met een spreiding die loopt van 56 tot 70 dagen. Het aantal pups lijkt de belangrijkste factor die deze grote spreiding veroorzaakt, alhoewel daar door sommige buitenlandse onderzoekers anders over wordt gedacht. Zeer grote nesten worden als regel korter gedragen, kleine nesten meestal, maar niet altijd, veel langer (deze regel geldt overigens voor alle zoogdieren die meerdere jongen ter wereld brengen). Daarnaast beinvloeden het ras, en mogelijk ook de pariteit (vooral bij de grotere rassen) de duur van de dracht in geringe mate. Stress werkt met name vertragend op de duur van de geboorte zelf, maar beinvloedt de duur van de dracht als zodanig niet

Tekenen van een naderende geboorte
Niet alleen het begin van de dracht, maar ook die van de geboorte is in de praktijk moeilijk exact aan te geven. Welk mechanisme verantwoordelijk is voor het opgangkomen van de geboorte is niet bekend; in veel handboeken worden theorieen genoemd die in feite op andere zoogdieren van toepassing zijn. Wat we wel weten is dat, als gevolg van het nog onbekende trigger-mechanisme, de eierstokken van de teef ongeveer 24 uur voordat de eerste pup wordt uitgedreven vrij plotseling ophouden met de produktie van het zwangerschaps-hormoon progesteron. Voor het gemak zullen we daarom maar stellen dat de geboorte dus in feite al bijna een dag aan de gang is wanneer de eerste pup wordt geboren. De daling van de progesteronconcentratie in het bloed gaat gepaard met een daling van de lichaamstemperatuur van maximaal 1 tot 2 graden. Indien gedurende de laatste 2 weken van de dracht een aantal malen per dag (liefst op ongeveer dezelfde tijdstippen) de temperatuur wordt opgenomen, dan kan deze geringe daling gemakkelijker worden onderscheiden van de spontane fluctuatie’s die zich altijd al voordoen in de lichaamstemperatuur van de teef. Het is in feite, naast de specifieke gedragsveranderingen, het betrouwbaarste voorteken van een naderende geboorte. Het invallen in het kruis (vooral bij kortharigen), heldere slijmerige uitvloeiing of het verschijnen van melk in de tepels zijn wat dat betreft veel minder betrouwbaar. Het geboorteproces wordt gewoonlijk onderverdeeld in een voorbereidingsfase, een ontsluitingsfase en een uitdrijvingsfase. De voorbereidingsfase begint op het moment dat de hond duidelijke gedragsveranderingen gaat vertonen: nestbouwgedrag uit zich heel vaak in het met een zekere regelmaat uitvoeren van fanatieke graafbewegingen met de voorpoten. Kranten of doeken in de werpkist worden vaak verscheurd. Er zijn diverse meldingen van dieren die in deze fase uitbraken en buiten een echte kuil of een hol gingen graven. Sommige dieren kruipen wel eens weg in een wat donker hoekje. Een werpkist die van boven is gesloten is daarom zo slecht nog niet. Daarnaast beginnen veel teven zich opvallend vaker te likken, waarbij vooral de vulva wordt gemasseerd. Nestbouwgedrag treedt tijdens de geboorte, zeker in een wat vroege fase, heel vaak op met een zekere periodiciteit. We weten intussen dat dit samenhangt met het optreden van weeen, die bij de hond al in een heel vroeg stadium beginnen. Deze weeen hebben aanvankelijk vooral de funktie om de cervix of baarmoedermond op te rekken en te verwijderen. Van deze ontsluiting kan aan de buitenkant heel weinig worden waargenomen; we weten ook niet precies hoe lang deze fase feitelijk duurt. Tijdens de ontsluitingsfase verdwijnt bij de meeste dieren de eetlust. De drang tot urineren en defaeceren wordt groter en treedt vaker op; de faces wordt geleidelijk ook wat dunner. Het is goed te weten dat de dieren deze drang hebben en ze zonodig een uitloop naar buiten te geven. Aan het einde van de ontsluitingsfase wordt de ademhaling opvallend veel sneller en wordt soms ook wel braken waargenomen.

Uitdrijving van de pups
Op het moment dat tijdens het voorkomen van een wee de teef begint mee te persen met de buikspieren (dit is overigens een echte reflex!) begint per definitie de uitdrijvingsfase. Er bevindt zich dan een vruchtblaasje of een deel van de pup zelf in de bekkenholte. Tijdens een wee wordt een aantal keren geperst. Hierbij houdt de teef de staart af waardoor de ruimte in de bekkenholte wordt vergroot. Tijdens het persen ligt de teef meestal en zal zij zich met de poten proberen af te zetten. Soms wordt ook in gehurkte houding of zelfs staande geperst. Het is van het grootste belang dat de eigenaar tijdens de geboorte aanwezig is. De dieren voelen zich hierbij veel meer op hun gemak. Dat is uiteraard alleen het geval wanneer de eigenaar zelf ook rustig blijft, niet in paniek raakt en vooral veel geduld heeft. Onrust en stress rond de geboorte dienen altijd te worden vermeden. De plaats waar de werpkist of mand staat opgesteld moet daarom ook niet steeds worden veranderd. Er zijn overigens talloze beschrijvingen van geboorte’s in de literatuur te vinden over langdurige stagnatie in het uitdrijvingsproces bij vertrek van de baas of bazin. Naast deze rustgevende rol heeft de eigenaar ook een bewakende functie. Om bij eventuele problemen zo nauwkeurig mogelijke informatie aan de dierenarts te kunnen geven, verdient het aanbeveling om van iedere geboorte een kort geschreven protocol bij te houden, waarin tijdstippen worden genoteerd: wanneer de teef voor het eerst begon met persen, hoe laat de individuele pups werden geboren; wanneer deden zich bijzonderheden voor. Goed waarnemen, erbij blijven en niet te snel ingrijpen zijn de drie belangrijke opgave’s voor de eigenaar! Het is duidelijk dat men het vliesje om de kop van een pasgeboren pup zal willen verwijderen als dat er te lang omheen blijft zitten, maar daarvoor hoeft die pup nog niet uit het nest te worden gehaald. Een belangrijke vraag is natuurlijk hoe lang de pauze tussen twee opeenvolgende uitdrijvingen mag duren voordat gesproken kan worden van een abnormaal verloop. Op de eerste pup wordt vaak lang geperst; deze moet immers nog de geboorteweg oprekken. Mits er duidelijk vorderingen in de uitdrijving waarneembaar zijn (het gebied tussen anus en vulva begint duidelijk op te bollen, een vruchtblaasje of vruchtdelen worden zichtbaar) mag dit persen op een eerste pup maximaal een uur duren. Gemiddeld verlopen er tussen de geboorte van twee pups ongeveer drie kwartier, maar de variatie is in de praktijk zeer groot. Over kortere tussenpauze’s behoeven we ons natuurlijk niet druk te maken; bij langere pauze’s is het van het grootste belang te weten of er wel of niet wordt geperst. Een pauze van 2-3 uur zonder persen is beslist niet abnormaal. Vooral bij zeer grote nesten kan er halverwege nog wel eens een langere pauze voorkomen, waarin de teef zelfs in slaap kan vallen. Indien er echter op een tweede of latere pup langer dan een half uur, met een zekere regelmaat of voortdurend, wordt geperst dan moeten er vruchtdelen uitwendig zichtbaar zijn geworden; met een beetje hulp kan dan worden geprobeerd de uitdrijving te bespoedigen. Het zelfstandig door de eigenaar toedienen van weeen stimulerende middelen moet ten sterkste worden afgekeurd; een klinisch onderzoek door de dierenarts dient aan het gebruik van deze middelen vooraf te gaan. Gemiddeld worden er iets meer pups in kopligging dan in stuitligging geboren; hoe dit komt weten we niet. Bij de kopligging zijn de voorpootjes meestal naar achteren geslagen en liggen tegen het lichaam aan. Bij stuitliggingen worden de achterpootjes, die naar achteren zijn gestrekt, het eerste zichtbaar, maar ze kunnen ook naar voren zijn gevouwen zodat in feite het staartje het eerst tevoorschijn komt. Hierbij kan de omvang van het achterstel bij sommige (meestal de wat grotere) pups zodanig toenemen dat de uitdrijving bij deze vorm van stuitligging moeizaam verloopt. De nageboorte worden tegelijk met een pup uitgedreven of blijft hangen op de rand van de bekkeningang terwijl de pup al volledig is geboren. Het komt ook wel voor dat er eerst nog weer een volgend jong wordt geboren voordat de placenta van een pup wordt uitgedreven. De navelstreng verbinding wordt in de meeste gevallen pas na de geboorte van de pup verbroken, hetgeen overigens niet wil zeggen dat de pup tot op dat moment voor wat betreft de aanvoer van zuurstof en afvoer van koolzuur nog gebruik kan maken van zijn placenta. De teef bijt de navelstreng door of deze breekt door bewegingen van de teef en/of de pup spontaan. Wanneer de placenta tegelijk meekwam dan begint de teef deze direct op te eten en eindigt dan vanzelf bij de buikwand van het jong. Het totale uitdrijvingsproces kan dus een groot aantal uren duren. De gezonde, levendige pups zullen kort na uitdrijving proberen te drinken. Het is waarschijnlijk, maar niet echt bewezen, dat dit drinken een gunstig verloop heeft op de snelheid van de geboorte. Ook hier geldt dat het zorgdragen voor de nodige rust in feite het belangrijkste is.

Veterinaire aspecten van de normale en abnormale dracht en geboorte
Een fokker/eigenaar krijgt gewoonlijk helaas niet alleen te maken met probleemloos verlopende drachtperioden en geboorten bij zijn/haar hond(en) maar vroeg of laat ook met een afwijkend verloop. Om het gehele proces van dracht, geboorte en zoogperiode goed te kunnen begeleiden is het van belang in voorkomende gevallen te weten:
a) wanneer en hoe men als fokker zelf uitstekend hulp kan verlenen en
b) wanneer het raadzaam is de dierenarts te raadplegen. Wat dit betreft is naast ervaring en kennis van wat als normaal beschouwd kan worden ook enige kennis betreffende afwijkende situaties van grote waarde. In het kort zullen enige belangrijke aspecten van dracht en geboorte worden belicht.

Hormonale aspecten van dracht en geboorte
Het in stand houden van de dracht gedurende de normale periode enerzijds en het geboorteproces (partus) anderzijds is een zeer complex van vele factoren waarnaar bij de hond nog veel wetenschappelijk onderzoek verricht moet worden. Een belangrijke rol wordt in ieder geval gespeeld door een aantal bronnen (o.a. progesteron, oxytocine, prolactine, LH, oestrogenen, prostaglandinen en catecholaminen). Het hormoon dat een centrale rol speelt bij de regulatie van de dracht en het geboorteproces bij de hond is het progesteron of zwangerschapshormoon. Het wordt geproduceerd in de gele lichamen (corpora lutca) in de eierstokken van de teef. Opvallend bij de hond is de gelijkenis tussen het verloop van de progesteronconcentatie in het bloed van drachtige en van niet drachtige teven na de loopsheid. Voor de loopsheid is de progesteronconcentratie nog zeer laag. Rondom het procesvan de eisprong (ovulatie) begint de bloedspiegel echter al te stijgen tot ongeveer 30 dagen na de ovulaties het maximum is bereikt waarna weer een geleidelijke daling plaats vindt. Bij de niet drachtige hond wordt zo’n 70-90 dagen na de ovulaties weer een basale progesteronconcentratie bereikt. Bij het drachtige dier echter vindt er gedurende de laatste 24-36 uur voor de geboorte van de eerste pup een plotselinge scherpe concentratiedaling plaats tot basale waarden. De tamelijk grote overeenkomst in progesteronverloop tussen drachtige en niet drachtige teven is een van de redenen dat schijndrachtverschijnselen bij de hond relatief vaak voorkomen. Over de rol van de foeten en de placenta’s (moederkoek) bij het op gang komen van het geboorteproces is bij de hond nog weinig bekend. Het progesteron is bij de hond van essentieel belang voor het in stand houden van de dracht. Een definitieve daling naar te lage waarden betekent dan ook het einde van de drachtigheid! De ontwikkeling van methoden om de dracht kunstmatig te beeindigen richt zich dan ook op het verlagen van de invloed van progesteron (o.a. door middel van prostaglandinen, zogenaamde receptorblokkers en progesteronsyntheseremmers). Medicamenten om bij de hond een geboorte op een betrouwbare en veilige manier op te wekken zijn overigens nog niet voor dierenartsen beschikbaar.

De baarmoederactiviteit
Tijdens de dracht is de baarmoeder (uterus) onder invloed van progesteron betrekkelijk rustig. Dit betekent echter niet dat er in het geheel geen spieractiviteit aanwezig is. Er treden namelijk ongeveer twee maal per uur 3-10 minuten durende activiteits-perioden op, waarbij de baarmoeder in haar geheel samentrekt. Gedurende de dag is de activiteit wat hoger dan gedurende de nacht. Waarschijnlijk wordt dit verschil veroorzaakt door allerlei stimuli vanuit de omgeving (eten, spelen etc.). omgekeerd beinvloeden dergelijke activiteitsfasen soms ook het gedrag van de teef. Zo hebben wij zelf vaak kunnen waarnemen dat ’s nachts de slaap tijdelijk onderbroken werd en de teef even wat rondliep op het moment dat een dergelijke baarmoederactiviteit optrad. Gedurende de laatste 7 dagen voor de geboorte en in versterkte mate gedurende de laatste 48 uur treedt er een duidelijke verandering in het activiteitspatroon op. Er verschijnen steeds meer korte activiteitsperioden, totdat uiteindelijk tijdens de geboorte krachtige, goed over de baarmoeder voortgeleide weeen (duur 1-3 minuten) zorgen voor de definitieve ontsluiting van de baarmoedermond (cervix) en, ondersteund door de buikpers, de uitdrijving van de pups. Een grote toename in de totale baarmoederactiviteit vindt plaats 24-12 uur voor de geboorte. Dit valt samen met de definitieve progesterondaling, de gedragsveranderingen en de lichaamstemperatuurdaling. Ook tijdens de eerste dagen na de geboorte blijft de baarmoeder actief. Dit heeft een belangrijke functie bij het herstel van de baarmoeder na de geboorte en het voorkomen van baarmoederontsteking in die periode. Onderzoek heeft aangetoond dat het totale geboorteproces een grote invloed kan hebben op de stofwisseling van de pup. De meeste pups worden met een lichte tot matige verzuring (acidose) van o.a. het bloed geboren. Dit wordt veroorzaakt door een verminderde gasuitwisseling (zuurstof, koolzuur) via de placenta’s tengevolge van een belemmerde bloedcirculatie via de relatief korte navelstreng tijdens de daadwerkelijke uitdrijving. Het bovenstaande kunnen we als een natuurlijk proces beschouwen; herstel treedt na de geboorte meestal spoedig op. Pas bij een afwijkend geboorte verloop kan de invloed op de stofwisseling zo ernstig worden dat het tot sterfte van de pup(s) tijdens of kort na de geboorte kan leiden (zie verder de voordracht van dr. Schaefers-Okkens). 

Geboortevolgorde
Indien alles normaal verloopt vertoont de baarmoeder tijdens de geboorte goed gecoordineerde en over de hoornen voortgeleide weeen die, ondersteund door de buikpers, zorgen voor de uitdrijving. Bij het tot stand komen van de normale ligging van de vruchten tijdens de uitdrijving speelt niet alleen de baarmoederactiviteit een rol, maar ook de actieve beweging van de vruchten zelf. Een foute ligging tijdens de geboorte wordt dan ook veel vaker aangetroffen bij reeds dode pups. Ook de uitdrijving van de pups vanuit de twee hoornen geschiedt in normale situaties op een gecoordineerde wijze. Onderzoek heeft uitgewezen dat er een redelijke afwisseling bestaat tussen de uitdrijving van pups uit de hoornen; na de geboorte van een pup en bij aanwezigheid van een of meer pups in beide hoornen wordt in bijna 80% van de gevallen de eerstvolgende pup uit de andere hoorn uitgedreven.

Invloed van worpgrootte en ras
Vanuit verloskundig oogpunt zijn de volgende aspecten van grote betekenis:

  • Bij grote rassen is bij een gelijke worpgrootte het gemiddelde relatieve geboortegewicht van een pup (dus het gewicht van een pup t.o.v. dat van de moeder) geringer dan bij kleine rassen.
  • Bij een grote worp is het gemiddelde relatieve geboortegewicht van een pup kleiner dan bij een kleine worp.
    Daar komt nog bij dat de meeste grote rassen over het algemeen grotere nesten werpen dan kleine rassen. Dit betekent dat kleine rassen over het algemeen meer geboorteproblemen vertonen tengevolge van een relatief te grote pup. Kleine brachycephale (kortsnuitige) rassen zijn nog extra in het nadeel vanwege een uit verloskundig oogpunt minder gunstige bouw van de pups en soms ook minder gunstige bouw van het bekken van het moederdier.

Abnormale draagtijd
Niet altijd vindt een geboorte plaats na een normale draagtijd. Wanneer een geboorte vroeger optreedt dan volgens de normale spreiding (minder dan 59 dagen na de eerste dekking) verwacht mag worden dan spreken we afhankelijk van het moment van optreden van een vroeggeboorte of van een abortus (<54 dagen). Een dergelijke situatie komt gelukkig maar weinig voor. Er kunnen vele oorzaken aan ten grondslag liggen, infectieuze en niet-infectieuze. Hier zal niet verder op een en ander worden ingegaan. Het raadplegen van de dierenarts is altijd gewenst. Soms kan de oorzaak worden vastgesteld, maar helaas ook in veel gevallen niet; in ieder geval is het goed om de teef grondig te laten onderzoeken, al was het maar om verdere complicaties (b.v. een ernstige baarmoederontsteking) te voorkomen. Een (te) langdurende draagtijd (graviditas prolongata) komt vaker voor. Laat de geboorte te lang op zich wachten, dan bestaat er een toenemende kans op te grote pups. Vooral bij kleine worpen (met name kleine rassen) is dit, omdat het gemiddelde relatieve geboortegewicht toch al groter is, een reeel gevaar. Bovendien bestaat er een toenemende kans op het afsterven van de vruchten. Te lang wachten met ingrijpen kan dus soms problemen opleveren. Wanneer is het raadzaam om in te grijpen? Dit is deels afhankelijk van de voorgeschiedenis zoals het verloop van vorige geboorten. Gebruikelijk is echter om bij nesten van 3 pups of minder te wachten tot de 67e dag. Zeker bij kleine rassen is langer wachten af te raden. Wanneer vaststaat dat er zich meer dan 3 foeten in de baarmoeder bevinden kan er, afhankelijk van overige omstandigheden, gewacht worden met de therapie tot de 70e dag. Helaas is het opwekken van de geboorte momenteel nog niet goed mogelijk. Daarom zal het verrichten van een keizersnede meestal onvermijdelijk zijn.

Afwijkend geboorteverloop
Wanneer is er sprake van een afwijkend geboorteverloop (dystocia) en moet er hulp worden verleend? Van dystocia kan sprake zijn of is sprake:
– indien er een duidelijke oorzaak is vastgesteld, zoals een verkeerde ligging van een pup, een veel te grote pup of een afwijkend bekken (vrijwel altijd gediagnostiseerd door de dierenarts).
– wanneer er meer dan 30 minuten krachtig en frequent is geperst zonder enige vordering. Bij een eerste pup van een worp kan het soms wat langer duren (tot ongeveer een uur).
– indien de teef al meer dan 2 uur zo nu en dan zwak perst en er verder niets lijkt te vorderen.
– wanneer na de geboorte van een pup al 2-3 uur niet meer is geperst. Het kan ook zijn dat er zich geen pups meer in de baarmoeder bevinden.
– bij ziekteverschijnselen (enige malen braken is meestal niet afwijkend tijdens het geboorteproces).
– indien er een afwijkende uitvloeiing vanuit de schede (vagina) bestaat. Een dikke groenzwarte stroperige uitvloeiing kan op dode pups wijzen. Deze uitvloeiing is meestal het gevolg van loslaten van een of meer placenta’s. Veel bloedverlies is uiteraard ook afwijkend. Stinkende uitvloeiing is altijd verkeerd! Het zal duidelijk zijn dat te laat ingrijpen verkeerd is; anderzijds kan te vroeg ingrijpen het geboorteproces eveneens onnodig nadelig beinvloeden. In bovenstaande situaties is het raadzaam telefonisch contact met de dierenarts op te nemen. Het kan nodig zijn de teef aan een lichamelijk onderzoek te onderwerpen. Indien er in sommige van de genoemde situaties vruchtdelen in de schede zichtbaar zijn kan een wat meer ervaren fokker, na grondige reiniging van zijn/haar handen en van de haren en de huid rond de schedeopening (vulva) van de teef, eventueel zelf hulp verlenen. Hiertoe wordt met twee vingers (glad gemaakt met een neutrale creme) tijdens het persen van de teef, zo mogelijk, geringe trekkracht aan de pup uitgeoefend. Houvast kan met twee vingers bij een kopligging worden gevonden achter het kopje en bij een stuitligging achter de hakjes van het pupje. Het spreekt vanzelf dat hard trekken onnodige schade kan aanrichten! Aanwezigheid van delen van een pup in de schede verraadt zich meestal door het flink opbollen van de huid tussen de anus en vulva. Het gestoorde geboorteverloop kan primair veroorzaakt worden door afwijkingen aan moederlijke zijde (dystocia materna) of foetale zijde (dystocia foetalis) of door een combinatie van deze factoren.

Mogelijke afwijkingen aan de moederlijke zijde
Hiertoe behoren:
– weeenzwakte
– een te actieve baarmoeder. Dit belemmert, in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, de uitdrijving van de pups omdat de activiteit niet meer goed gecoordineerd verloopt. De totale baarmoeder trekt krampachtig samen. Ten gevolge hiervan kunnen door zuurstofgebrek, veroorzaakt door een verslechterde doorbloeding van de placenta’s, de foeten ernstig in moeilijkheden geraken. Onoordeelkundige toedienen van het hormoon oxytocine is hier vaak de oorzaak van. Dit betekent dat het kan ziijn toegediend zonder voorafgaand klinisch onderzoek, op verkeerde indicatie of in een te hoge dosering. Een verkeerde toepassing van oxytocine kan niet alleen de vruchten in gevaar brengen, maar is tevens belastend en soms gevaarlijk voor de moeder!
– Afwijkingen aan het bekken. Dit zien we soms nadat de teef als gevolg van trauma (een breuk) een misvormd bekken heeft gekregen. Niet altijd is de geboorteweg via het bekken dan nog ruim genoeg. In het verleden was de z.g. Engelse ziekte nog wel eens de oorzaak van een misvormd bekken.
– Een afwijkende ligging (draaiing om de lengteas) van de baarmoeder. Dit komt zelden voor, maar is wel ernstige bedreiging voor foeten en moeder omdat een deel van de baarmoeder wordt afgesloten. De diagnose is voor de dierenarts lang niet altijd makkelijk te stellen.
– Afwijkingen van de baarmoedermond of de schede. Bijvoorbeeld een slecht ontsluitende baarmoedermond of onvoldoende versoepeling van de geboorteweg. Weeenzwakte kan o.a worden veroorzaakt door onrust en stress voor de teef. Ook een langdurig geboorteproces kan tot weeenzwakte leiden. De complicatie kan dus deels worden voorkomen door te zorgen dat onrust en stress voor de teef vermeden worden. De dierenarts zal de complicatie vaak behandelen door toediening van een lage dosis oxytocine en een calciumpreparaat. Calcium speelt een grote rol bij de spieractiviteit van de baarmoeder.

Mogelijke afwijkingen aan foetale zijde
Hiertoe behoren o.a.:
– te grote of relatief te grote vruchten (zie hiervoor de paragraaf betreffende worpgrootte en ras)
– afwijkend gevormde foeten (onder andere z.g. monsters)
– afwijkende ligging ( dwarsligging, zijligging, rugligging, afwijkende ligging van ledematen of kop zoals een teruggeslagen kop of een kruinligging). Zoals reeds eerder opgemerkt zal een afwijkende ligging eerder ontstaan indien de foetus reeds dood is tijdens de aanvang van de geboorte. Het zal duidelijk zijn dat, indien van een afwijkende ligging sprake is, het gebruik van oxytocine meestal ernstige gevolgen kan hebben. Afhankelijk van de omstandigheden zijn door een dierenarts sommige afwijkende liggingen weer goed te leggen (te reponeren). In een aantal situaties kunnen hierbij verloskundige instrumentjes worden gebruikt (b.v. de forceps).
In een beperkt aantal situaties kan, indien er sprake is van een dode vrucht die niet normaal uitgedreven kan worden en via de schede nog goed met de vingers kan worden bereikt, een z.g. foetotomie worden verricht. De vrucht wordt met instrumenten verkleind en geextraheerd. Hiermee kan soms een keizersnede worden voorkomen.

De keizersnede
De techniek van de keizersnede (sectio caesarea) als zodanig zal hier niet worden beschreven. Tijdens de voordracht werd hierover een film vertoond. De meeste indicaties voor het uitvoeren van een sectio caesarea zijn hiervoor reeds aangegeven. De ingreep werd reeds in de tweede helft van de vorige eeuw (toen er meer begrip ontstond betreffende hygiene rond chirurgische ingrepen) een heel enkele keer bij de hond uitgevoerd. De vooruitzichten waren echter voor de moeder en de pups meestal erg slecht. Pas na de tweede wereldoorlog zijn de resultaten dankzij de introductie van de chemotherapeutica en antibiotica en de verbeterde operatie- en narcosetechnieken aanzienlijk beter geworden. Tegenwoordig is de prognose voor teef en pups meestal goed. Dankzij de sectio caesarea kan dan ook veel narigheid en zelfs lijden worden voorkomen. Het gaat echter veel te ver de operatie als een routine ingreep waarbij zeker ook meer of minder ernstige complicaties kunnen optreden! Zoveel mogelijk voorkomen d.m.v. een goed fokbeleid en een goede begeleiding tijdens de geboorte blijft dus de boodschap. 

Pups: een taak voor teef en fokker

Keuze van de ouderdieren

De basis voor een goed nest, en dus gezonde pups, wordt gelegd bij de keuze van de ouderdieren.

Voeding en beweging
Het is belangrijk te waken voor overvoeding van de teef tijdens de dracht en te weinig beweging. Hoewel de toename van de eetlust vaak al vanaf de 3e, 4e week merkbaar is, is het toch pas vanaf de 6e week nodig meer van een uitgebalanceerd compleet voer te voeren. Deze extra hoeveelheid voer kan aan het eind van de dracht circa 50 % van de normale hoeveelheid bedragen. Het is echter van groot belang dit voedsel in kleinere porties te geven!

Ziektepreventie


Infectieziekten
Pups krijgen het grootste deel van hun maternale antilichamen via het colostrum (de biest). Slechts een geringe hoeveelheid wordt via de placenta (moederkoek) overgedragen. Om de pups gedurende de eerste levensweken te beschermen is het noodzakelijk, dat in het colostrum voldoende antilichamen worden afgescheiden. Het is daarom van belang dat het moederdier goed is gevaccineerd (geënt). Het is om deze reden van belang vaccinaties tegen o.a. hondeziekte, HCC- en Parvovirus regelmatig te herhalen. Afhankelijk van het vaccin moeten deze entingen jaarlijks of om de twee jaar worden gegeven. Met name de enting tegen Parvovirus verdient speciale aandacht. Indien de teef nog tijdens de dracht (in de 7e week) gevaccineerd moet worden, verdienen geïnactiveerde vaccins de voorkeur.

Parasieten
Door een goede preventie bij de teef behoren algemene parasieten als vlooien, oormijten e.d. geen probleem te zijn gedurende de zwangerschap. Een aparte plaats nemen de spoelwormen in: de larven worden tijdens de dracht geactiveerd. Ze kunnen de placenta passeren en zo kunnen reeds 14 dagen na de geboorte volwassen spoelwormen zich bevinden in de darmen van de pup. Via het colostrum vindt slechts een lichte besmetting plaats. Ontwormen van de teef tijdens de dracht geeft echter geen resultaat, omdat de larven niet worden gedood. Ernstige problemen worden echter voorkomen door 2 weken oude pups te ontwormen.

De pup tijdens de geboorte
Een vlot verlopende geboorte is van primair belang voor de pups. Een groot deel van de pupsterfte vindt namelijk plaats tijdens of in de eerste dagen na de geboorte, vaak tengevolge van geboorteproblemen. Op het goed begeleiden van de geboorte wordt hier echter niet verder ingegaan. De ligplaats van de teef De geboorte geschiedt bij voorkeur in een werpkist, waarin de teef reeds enige tijd van tevoren gewend is. Hiervoor kan een laag model gekozen worden. Dit is een kist met opstaande randen. Aan een kant moet de opstaande kant niet te hoog zijn, zodat de teef, ook met een zwaar uierpakket, gemakkelijk de kist in en uit kan, doch ook niet zo laag, dat de pups er te jong reeds uit kunnen komen. Ook kan een gesloten model genomen worden waarvan de bovendeksel verwijderd moet kunnen worden, terwijl er aan de voorkant een opening is om de teef in en uit te laten. Dit gesloten model bevordert de rust in het nest. De grond van de werpkist moet bedekt zijn met een moltondeken, ribkarton, lakens of kranten. Het is namelijk van belang, dat de kist frequent schoon gemaakt wordt. Hygiene!

Temperatuur van de omgeving
Pups zijn vooral in de eerste levensdagen uitermate gevoelig voor de temperatuur van hun omgeving (zie ook onder normale habitus en ontwikkeling). Bij en na de geboorte ondergaan ze een flinke daling van de lichaamstemperatuur (hypothermie), mede omdat ze nat zijn. Hoe sneller de moeder ze droog likt en ze tegen de mammae aan kunnen liggen, hoe korter deze periode van hypothermie duurt. Aan het eind van een langdurige geboorte kunnen vooral de eerstgeboren jongen al enkele afkoelingsperiodes hebben doorstaan. Het blijkt dat hypothermie bij pasgeboren pups vermeden kan worden bij een temperatuur van 29-32? (gemeten in de naaste omgeving van de pup!). In de nestkist als geheel moet de temperatuur echter voor het moederdier niet onbehaaglijk warm zijn. Ook kan lokale bijverwarming, bijv. een kruik (met water van ± 40), worden gegeven. De noodzaak om na de geboorte nog bij te verwarmen is afhankelijk van de omgevingstemperatuur (die binnen een goed geïsoleerde werpkist aanzienlijk hoger kan zijn dan daarbuiten!), van het gedrag van de moeder en ook van het aantal jongen. Amerikaanse aanbevelingen noemen omgevingstemperaturen van 24-27 graden (in de naaste omgeving van het nest). Gezonde pups piepen als ze het te koud hebben en zoeken voortdurend naar een warmtebron. Moederloze pups moeten de eerste 4 á 5 dagen bij een omgevingstemperatuur van 29-32 worden gehouden, geleidelijk dalend tot
2e week 26-29 graden
3e week 23-26 graden
4e week 23 graden

Postnataal verloop en zorg
Als de jongen geboren zijn, worden de vliezen in het algemeen door de moeder verwijderd en de navelstreng wordt door haar doorgebeten, terwijl ze tegelijkertijd de nageboorte naar buiten trekt en opeet. Het is niet aan te raden de teef te veel placenta’s te laten opeten, daar dit diarree tot gevolg kan hebben. Het moederdier verwijdert soms de vliezen niet, bijv. door onervarenheid bij primiparae of door een slecht sluitend gebit zoals bij brachycephale honden. In dit geval moet de fokker de vliezen verwijderen, de navelstreng doorbreken en het jong goed droogwrijven. Het doorbreken van de navelstreng wordt vrij ver van de buik van het jong af gedaan. Als de navelstreng namelijk te dicht bij de buik wordt afgescheurd, kan er een scheur in het buikvlies optreden, waardoor de darmen naar buiten treden. Zonodig worden aan het einde van de geboorte alle navelstrengen tot ongeveer 1½ – 2 cm ingekort, daar het gevaar van in elkaar strengelen bestaat. Regelmatig komt het voor dat pups worden geboren met ademhalingsproblemen (asphyxie) en met een tekort aan zuurstof (anoxaemie). Dit kan een gevolg zijn van een verminderde of slechte placentawerking tijdens de geboorte. Dergelijke pups blijken vaak “zuur” te zijn, een te lage pH te hebben, evenals een sterk verlaagde “base excess”. Deze verzuring is zowel een gevolg van ademhalingsmoeilijkheden als indirect ook van het metabolisme (de stofwisseling). Het is daarom van groot belang de ademhalingswegen van slijm te ontdoen. Hiertoe kan een slijmzuigertje of dun slangetje worden gebruikt. Tevens is het likken van het moederdier een goede prikkel om de ademhaling te stimuleren. Vrijwel altijd zal er normaliter een hypothermie binnen 10 -40 min na de geboorte optreden. Deze daling van de lichaamstemperatuur zal de stofwisseling verlagen, wat eveneens een positief effect heeft op de verzuring. Deze hypothermie beschermt zo de pup effectief tegen beschadigingen van asphyxie, stimuleert de ademhaling en de respiratoire component van de verzuring kan worden hersteld terwijl de stofwisseling verlaagd is.

Normale habitus en ontwikkeling van de pup
Pups komen nog zeer onrijp ter wereld. Hiervan zullen enkele belangrijke voorbeelden worden gegeven. De hartslag bij pups is zeer frequent: eerste dag ± 160 slagen per min., 2-14 dagen ± 220 en na 3-5 weken ± 200. De ademhaling: eerste dag 10-18 ademhalingen per min., daarna 16-32. Het haemoglobinegehalte: vlak na de geboorte ± 16.8 gr% en daalt tot 8.0 gr% in de derde week na de geboorte. Een toename komt weer in de tweede levensmaand. De temperatuurregulatie: De volwassen hond is homeotherm. Het dier kan zijn Lichaamstemperatuur constant houden, als hij aan sterk uiteenlopen Omgevingstemperaturen wordt blootgesteld. Hij houdt in een koude omgeving zijn temperatuur constant door zijn stofwisselingsprocessen te verhogen en door vasoconstrictie (samentrekking) van huidvaten. De jongen reageren gedeeltelijk als poikilotherme dieren. Deze nemen de temperatuur van de omgeving aan. De huiverreflex ontwikkelt zich pas omstreeks de zesde dag. Pups kunnen de omgevingstemperatuur zintuigelijk waarnemen en zoeken een warmtebron met bewegingen die d.m.v. reflexen worden gestuurd. De natuurlijke warmtebron is het moederdier en deze warmte wordt ook vastgehouden door de neiging van de jongen om dicht op elkaar te kruipen. Een normaal reagerend moederdier zorgt ervoor dat haar jongen warm blijven door afgedwaalde pups terug te halen. Bij een te lage omgevingstemperatuur of onvoldoende moederlijke zorg moet worden bijverwarmd, b.v. door een lamp of vloerverwarming.

Oppassen voor tocht! Ook als de temperatuur te hoog wordt, reeds boven de 32?, heeft de pup snel moeilijkheden. Een pup heeft de eerste dag een temperatuur van ongeveer 35,5?. Iedere dag wordt deze temperatuur wat hoger, zodat hij op de zevende dag ongeveer 37,5? is. Gedurende de eerste dagen is een pup snel hypotherm. Deze hypothermie is een symptoom, dat frequent bij ziektes of ander afwijkingen, zoals onvoldoende moederzorg, te weinig melkgift van de teef, te koude ruimte etc. optreedt.

Zintuigen en zenuwstelsel
De ogen gaan meestal open tussen 10 en 14 dagen na de geboorte (9-19). De gehoorgang gaat ongeveer op dezelfde tijd open als de ogen. Het zenuwstelsel is nog zeer onrijp. De eerste dagen vertonen de pups bij gestrekte nek een buiging van de achterbenen en wervelkolom (bij de mens wordt gedacht aan een overblijfsel van foetaal gedrag). Reeds op de derde á vierde dag gaat deze buiging over in een strekken van ledematen en wervelkolom. Een zeer belangrijke reflex treedt op bij prikkeling van het anogenitale gebied. Als de teef dit gebied likt, loost de pup urine en ontlasting. Het is dus van vitaal belang dat de mens de stimulans tot deze reflex overneemt bij kunstmatige opfok.

Het afdalen van de testikels
Bij de geboorte liggen de testikels in het lieskanaal of in de buikholte en dalen over het algemeen binnen 4 weken na de geboorte af in het scrotum.

Verzorging en voeding van de jongen
De eerste weken is dit de taak van het moederdier. Wel moet de omgeving van het nest worden gecontroleerd: temperatuur, hygiëne en vooral voldoende rust. Waak ervoor dat de rust niet verstoord wordt door teveel belangstellenden (die bovendien infecties kunnen inbrengen). Het is ongunstig voor de jongen, maar kan ook tot ongewenste afkeer leiden bij de moeder, met kans op betrappen of verslepen van de jongen en ongewenste afkoeling. Verder is het van groot belang het groeiverloop te volgen. Hoewel gedrag en habitus van de pup (buikomvang, vacht, temperatuur, kleur, e.d.) belangrijke criteria zijn voor een goede gezondheid en ontwikkeling, is het gewenst de pups regelmatig te wegen met een dieet weegschaal. Men weegt de pup direct na het drooglikken of droogwrijven nadat deze zonodig is gemerkt (nagellak!). Vervolgens wordt de pup 12 uur later gewogen en verder 1 x per dag steeds om dezelfde tijd. Na één week kan het interval vergroot worden. Het geeft een goede informatie over de toestand van de dieren en zieke of onvoldoende groeiende pups worden zo snel opgespoord. Bij een normaal verloop is er géén gewichtsafname na de geboorte. Geboortegewicht en gewichtstoename zijn sterk afhankelijk van de grootte van het ras. Worpgrootte en voeding kunnen de groei duidelijk beïnvloeden. Het afnemen van de groei (=stagnatie) is vaak het eerste symptoom van problemen. Hierdoor wordt men vroeg gewaarschuwd en kunnen op tijd maatregelen genomen worden. Men kan zelfs middels deze controles op de eerste dag een risicogroep identificeren (gekenmerkt door laag geboortegewicht en meer dan 10% gewichtsverlies in de eerste 12 á 24 uur). Door bijvoeding en andere maatregelen kan het verlies aan pups aanzienlijk verminderd worden. Als pups ziek zijn of onvoldoende moederzorg krijgen worden ze snel hypotherm. Hypotherme pups zijn onrustig, piepen, nemen niet toe in gewicht of vallen af. De hartfrequentie kan van 220 afnemen tot 40 á 50 slagen per minuut. De turgor wordt hoe langer hoe slechter, doordat ze onvoldoende zuigen. Hierdoor worden ze ook hypoglycaemisch (tekort aan glucose). In het eindstadium zwakt het piepen af, totdat ze onbeweeglijk op hun zij liggen, af en toe ademend (meer naar adem happen). Als het niet goed gaat met de pups en ze het beeld van hypothermie vertonen, de groei stagneert, moet natuurlijk altijd worden getracht de oorzaak op te sporen. Deze oorzaak kan b.v. een ziek moederdier zijn. Soms worden teven in de periode na de geboorte ziek tengevolge van een in de baarmoeder achtergebleven pup en/of placenta, een baarmoederontsteking of een melkklierontsteking. Het is dus zinvol attent te zijn als de teef ziekteverschijnselen vertoont (temperatuursverhoging, sloom, vieze vulva-uitvloeiing etc.). Het is echter zinnig om zonder uitstel ook zonder de oorzaak van de groeistagnatie te kennen, de pups te gaan (bij)voeden. Hiervoor kunnen het beste fabrieksmatig bereide melkvervangende preparaten worden gebruikt zoals b.v. Esbilac® of puppymelk van Denkadog®. Koemelk is niet geschikt, omdat deze een veel lager gehalte aan energie en eiwit heeft dan teven- en poezenmelk. Sterft de moeder bij de geboorte, dan is het vooral van belang de jongen warm te houden (zie eerder) en, als kunstmelk niet voorhanden is, ze in elk geval vocht en glucose te geven (5-10% oplossing). De waterbehoefte van de pup wordt geschat op 180 ml/kg lich.gew. per dag; de water turnover is min. 2 x zo groot als bij volwassen dieren. De energiebehoefte voor pups wordt aangegeven als stijgende van ca. 130 – 140 Kcal/kg lich.gew. per dag in de eerste levensweek tot 200 á 220 in de 4e week. In het algemeen is het bij voeding voor moederloze jongen aan te bevelen om te streven naar een groeiverloop volgens de gemiddelde groeicurve van dat ras, of zelfs iets daaronder. De hoeveelheid kunstmelk, die per 24 uur moet worden gevoerd, wordt in eerste instantie berekend via de vochtbehoefte:
v.b. Pup 330 gram teef 20 kg
Vochtbehoefte 1/3 x 180 ml = 60 ml
Kunstmelk bevat echter ook droge stof (circa 20-30%). Daarom moet van de kunstmelk meer dan 60 ml, b.v. 80 ml, worden toegediend.

Dit betekend voor een pup die geen enkele voeding meer van de teef krijgt:
8 x 10 ml per 24 uur. Aan de hand van de groeicurve kunnen vervolgens frequentie van voeren en hoeveelheden worden bijgesteld.
De voeding kan het beste met een maagsonde worden gegeven. (injectiespuit op sonde). Ook een eigenaar kan de maagsonde makkelijk inbrengen. Het is een efficiënte manier, wat belangrijk is, als 8 x daags een aantal pups moet worden gevoed; men kan een exacte hoeveelheid melk toedienen en longontstekingen ten gevolge van verslikken komen niet voor, wat met speen/flesvoeding wél het geval kan zijn. De maagsonde moet wel zeer soepel en dun zijn (Nelathon katheters, firma Rüsch, ch. 6). Na elke voeding worden buik en perineum gemasseerd, zodat de pup kan urineren en defaeceren.
Dr. A.C. Schaefers-Okkens

Belangrijkste ziekte- en doodsoorzaken bij de pup van de geboorte tot de leeftijd van 3 maanden
Onderzoek na de dood (autopsie of necropsie genoemd) kan een belangrijke bijdrage leveren tot het stellen van een diagnose bij pupsterfte. Vooral bij zeer jonge pups kan een dergelijk onderzoek nuttig zijn, daar ze vaak weinig klinische symptomen vertonen. Bij sterfte van pups is het belangrijk te weten of de dieren gestorven zijn t.g.v. een individueel probleem of dat een infectieuze ziekte de oorzaak is van de problemen. Zowel voor de behandelend dierenarts als de patholoog is het erg belangrijk de ziektegeschiedenis van de pups te horen van de eigenaar. Ook gegevens over de teef zijn belangrijk. Het gemiddelde sterftepercentage van pups is 20-30%. De meeste sterfte treedt op tijdens de eerste levensweek, hierna treedt er een sterke daling van de sterfte op. Na 4 weken is er weer een stijging. In deze 3 perioden zien we een duidelijk verschil in de oorzaken van ziekte en dood. In de eerste week zijn het vaak factoren, die te maken hebben met problemen rond de geboorte, in de 2e periode hebben we veel te maken met bacteriële infecties en in de 3e periode juist met virale infecties. Een uitzondering hierop is de Herpes canis infectie, die in de 2e periode een rol speelt. In de 3e periode kunnen ook protozoaire infecties (Toxoplasma, Coccidiose) en worm infecties (vooral spoelwormen) een rol spelen. Aangeboren of congenitale afwijkingen, dit zijn afwijkingen, die al bij de geboorte aanwezig zijn, spelen over de gehele periode een rol.

Doodsoorzaken rondom de geboorte
Zuurstoftekort = asphyxie.
Ondervoeding
Trauma
Aangeboren = congenitale afwijking

Zuurstoftekort
Zuurstoftekort is één van de belangrijkste doodsoorzaken bij pups. Dit kan vòòr en tijdens de geboorte optreden, maar de gevolgen ervan kunnen ook nog optreden gedurende de eerste dagen na de geboorte. Oorzaken voor een zuurstoftekort bij de pup zijn legio, b.v. te langdurende geboorte, vroegtijdig loslaten van de vruchtvliezen, te weinig bloedtoevoer naar de pups en het in de vliezen blijven zitten.

Ondervoeding
Naast het zuurstoftekort is ondervoeding een belangrijke doodsoorzaak in de eerste week na de geboorte. De ondervoeding van de pup kan al voor de geboorte optreden, o.a. als gevolg van slechte voeding van de teef, veel pups en placenta-afwijkingen. Deze dieren worden met een te laag lichaamsgewicht geboren. De energiereserve (glycogeen) van de verschillende organen is daarbij te laag, waardoor er ook in het bloed te weinig suiker aanwezig is (hypoglycaemie). De energiereserve bij de geboorte is zeer belangrijk, omdat het enige dagen duurt voordat deze reserve aangevuld wordt vanuit de voeding. Ook na de geboorte kan ondervoeding optreden. Dit zien we vaak bij te vroeg geboren pups, maar kan ook bij normaal geboren pups optreden, o.a. bij veel pups in het nest, te weinig melkgift van de teef of een onrustige teef. Tevens kan het een gevolg zijn van zuurstoftekort van de pup bij de geboorte. Deze pups zijn vaak slap en kunnen niet drinken. Ook kan de omgevingstemperatuur een rol spelen. Liggen de pups te koud, dan kunnen ze hun lichaamstemperatuur niet op peil houden en worden ze slap en kunnen niet meer drinken.

Aangeboren afwijkingen
Aangeboren afwijkingen zijn bij de geboorte aanwezig. Ze kunnen erfelijk zijn, maar dit hoeft niet zo te zijn. In de meeste rassen komen erfelijke aangeboren gebreken voor. Aangeboren afwijkingen hoeven niet direct tot de dood te leiden en met een aantal kunnen de dieren zelfs oud worden. Het is echter niet wenselijk, dat erfelijke afwijkingen in een ras gefokt worden, want daardoor gaat het ras in kwaliteit achteruit.

Infectieuze oorzaken
Gedurende de eerste 4 weken na de geboorte spelen vooral naast de aangeboren afwijkingen de infectieuze ziekten een rol, met name bacteriële infecties en de Herpes canis infectie. Infectieuze ziekten treden vooral op als er meerdere dieren bij elkaar gehouden worden. De pups kunnen via verschillende wegen geïnfecteerd worden, o.a. in de baarmoeder, in de geboorteweg, via de mond, via de luchtwegen, via de navel en door verwondingen. De bacteriële infecties kunnen een bloedvergiftiging geven, waarbij vrijwel elk orgaan in het lichaam aangetast wordt. Ook kunnen infecties lokaal schade veroorzaken. Hierbij kunnen we dan b.v. een darmontsteking, een longontsteking, ontsteking van het borstvlies of het buikvlies of een ontsteking van de lever zien. De Herpes canis infectie treedt op bij pups tot de leeftijd van 3 weken. Het virus vermeerdert zich nl. bij een lage temperatuur en pups ouder dan 10 dagen kunnen hun lichaamstemperatuur beter op peil houden, waardoor het virus geen of nauwelijks kwaad meer kan doen. Bij een infectie van Herpes canis virus zien we in alle organen verval van weefsel en bloedingen optreden. Deze infectie lijkt in Nederland niet vaak voor te komen, maar in kennels waar het voorkomt, veroorzaakt het virus grote schade, temeer daar er geen entstof tegen is.

Virale infecties
Bij de pup komen naast de Herpes canis virus infectie de hondeziekte, besmettelijke leverziekte en de Parvo virusinfectie voor. Daarnaast komen nog enkele virusinfecties voor, maar die zijn uiterst zeldzaam. Hondeziekte en de besmettelijke leverziekte worden op het ogenblik eigenlijk niet meer gezien, maar de Parvo virusinfectie is in Nederland sinds 15 jaar bekend en veroorzaakt nog veel sterfte, ondanks de entingen tegen deze virusinfectie. Het virus kan de hartspier en de darm aantasten. Het virus vermenigvuldigt zich in sneldelende cellen. De hartspiercellen delen zich maar tot een leeftijd van 4 weken en dat is de reden dat wij hartspier ontstekingen t.g.v. Parvo virus tegenwoordig niet meer zien. De pups hebben op die leeftijd nog antilichamen van de moeder, gekregen via het bloed tijdens de dracht en via de eerste moedermelk (maternale antilichamen). De pups zijn op die leeftijd dus nog immuun voor het virus. Een darmontsteking t.g.v. Parvo virus wordt nog zeer regelmatig gezien, ook bij geheel volgens de regels geënte pups. Het zijn in de regel pups van 6-12 weken. Dit wordt veroorzaakt, doordat de pups een korte periode kunnen hebben, waarin er geen antilichamen tegen het Parvo virus zijn. Dit is de periode, waarin ze geen maternale antilichamen meer hebben en het immuunapparaat nog niet in staat is om goed te reageren op een enting. Dit is ook weer individueel bepaald.

Protozoaire ziekten
De belangrijkste protozoaire ziekten bij de pup zijn de Toxoplasma infectie en de Coccidiose. Toxoplasma veroorzaakt vnl. ontstekingen in de hersenen. Coccidiose veroorzaakt een darmontsteking.

Worminfecties
De belangrijkste worminfectie bij de pup is de spoelwormeninfectie. De volwassen worm richt schade aan in de darm, waarbij de wormen zelfs een perforatie van de darm kunnen veroorzaken. De larven van de spoelworm maken een trektocht via het bloed door het lichaam en kunnen in ieder orgaan, inclusief de hersenen en het oog, vastlopen. Dit kan dan ontstekingshaarden in de verschillende organen veroorzaken.

“Fatty Liver” syndroom
Het “Fatty Liver” syndroom wordt alleen gezien bij pups van de kleine rassen vanaf de leeftijd van 6 weken tot ongeveer 4 maanden. De ziekte is “Fatty Liver” genoemd omdat zich bij deze ziekte vet in de levercellen ophoopt. De oorzaak van het “Fatty Liver” syndroom is het te weinig of niet eten. De oorzaak van het niet of te weinig eten is vaak niet geheel duidelijk, maar lijkt met “stressfactoren” te maken te hebben. Het wordt gezien na entingen, tatoeages, het overgaan naar een nieuwe eigenaar en verandering van voeding. Ook lijkt de aard van de voeding een rol te spelen. In een klein aantal gevallen hebben de pups een andere ziekte, waardoor ze niet meer eten. De ziekte treedt heel snel op en kan als er geen therapie ingesteld wordt snel tot de dood leiden. Door het niet of te weinig eten daalt het suikergehalte in het bloed heel snel (hypoglycaemie). Door dit energiegebrek worden de vetdepots afgebroken en het hieruit vrijkomende vet gaat naar de lever, waar het niet goed verbruikt wordt. De reden hiervan is niet geheel duidelijk, maar men denkt dat de enzymsystemen van de pups van de kleine rassen nog niet zo goed ontwikkeld zijn. Het snel optreden van hypoglycaemie bij de pups van kleine rassen zou een gevolg zijn van het hoge energieverbruik in verhouding met de grotere rassen. De pups gaan niet dood aan de vervette lever, maar aan de hypoglycaemie. Klinisch wordt het beeld gekenmerkt door het sloom worden van de dieren, ze lijken diarree te hebben, maar de ontlasting blijkt alleen uit gal te bestaan (slijmerig). Ook kunnen de dieren hersenverschijnselen hebben in de vorm van omvallen en tegen een muur dringen. De therapie bij deze ziekte is suiker toedienen en de pup trachten te dwingen tot eten, waarbij de voeding energie rijk moet zijn.

Dr. J.S. van der Linde. 
 


Gerelateerde Artikelen

Loopsheid bij de hond

De loopsheid is de vruchtbare periode van de teef. Deze periode kenmerkt zich doordat het geslachtsdeel meer is opgezwollen als normaal en de teef hieruit


Bevalling hond

Voor veel hondenbezitters is een nestje fokken het spannend en vertederend , naast veel plezier en energie is ook kennis nodig voor het fokken.



Vragen over je hond? stel ze op het Hondenforum