Suikerziekte bij de hond

Iedereen heeft wel eens van suikerziekte gehoord. Maar wat houdt het nou eigenlijk precies in en hoe komt een hond aan suikerziekte? En misschien nog wel belangrijker: wat zijn de gevolgen ervan voor de hond en de eigenaar?

De ziekte
In de darmen worden koolhydraten uit de voeding afgebroken tot glucose. Dit glucose is een belangrijke brandstof voor de cellen. Cellen hebben voor de opname van glucose het hormoon insuline nodig. Insuline is overigens niet alleen van belang voor de opname van glucose maar ook voor de afbraakproducten van vetten en eiwitten. Bij een hond met suikerziekte is er een tekort aan insuline of er zijn omstandigheden waardoor de werking van insuline wordt tegengegaan door andere hormonen. Hierdoor stijgt het glucosegehalte in het bloed, terwijl de cellen juist een tekort aan glucose hebben! Suikerziekte wordt ook wel “diabetes” of “diabetes mellitus” genoemd. Het woord “diabetes” staat voor: “veel drinken”, het woord “mellitus” betekent “zoet”. Dat laatste slaat natuurlijk op het hoge glucosegehalte in het bloed (en de urine). Op het vele drinken komen we later nog terug.

Oorzaken
Insuline wordt geproduceerd door specifieke cellen (ß-cellen) in de alvleesklier. Bij een ernstige beschadiging van de alvleesklier, bijvoorbeeld een ontsteking, kan de insulineproductie in het gedrang komen. Een andere vorm van beschadiging van de alvleesklier is een zogenaamde auto-immuun ziekte. Hierbij worden antistoffen gemaakt tegen de insuline producerende cellen, waardoor deze verloren gaan. Na de loopsheid wordt door de eierstokken gedurende een aantal weken het hormoon progesteron geproduceerd. Dit progesteron kan leiden tot een verhoogde productie van het groeihormoon. Dit groeihormoon remt de werking van insuline. Er is dus wel voldoende insuline, maar het kan zijn werk niet doen. Het lichaam registreert het hoge glucosegehalte in het bloed en het tekort aan glucose in de cellen. De alvleesklier reageert hierop door steeds meer insuline te produceren. Op den duur raken de insuline producerende cellen volledig uitgeput: er wordt dan geen of te weinig insuline gemaakt. Nu is er een echte diabetes ontstaan. Antiloopsheidinjecties zijn niets anders dan progesteron! Het (herhaaldelijk) geven van deze injecties kan dus leiden tot het ontstaan van suikerziekte bij de hond! Ook het hormoon cortisol remt de werking van insuline. Een hond die dit hormoon toegediend krijgt (prednison en aanverwanten), maar ook een hond met een te snel werkende bijnierschors (ziekte van Cushing) heeft dus een verhoogde kans op suikerziekte. Verder speelt, net als bij de mens, overgewicht en gebrek aan lichaamsbeweging een rol bij het ontstaan van suikerziekte.

De gevolgen
Bij suikerziekte gaan er een aantal zaken fout in het lichaam. Het glucosegehalte in het bloed wordt op den duur zo hoog dat de nieren de glucose gaan uitscheiden via de urine. Dit gebeurt als de zogenaamde nierdrempel wordt overschreden ofwel als het glucosegehalte in het bloed boven de 15 mmol/l komt (normaalwaarde is 4-8 mmol/l). Glucose in de urine trekt extra vocht aan: de hond gaat meer plassen. Om het vochtverlies aan te vullen (dorst) gaat de hond meer drinken. Vanwege het verlies van glucose en onvermogen om glucose te verbranden krijgt de hond meer honger. Ondanks dat de hond voldoende of zelfs veel eet, zie je toch een vermagering door het onvermogen om glucose, vetten en eiwitten op de normale manier te verbranden door de cellen. Als het energietekort van de cellen steeds ernstiger wordt, dan gaat het lichaam in snel tempo opgeslagen vet afbreken. De vetzuren die hierbij vrijkomen, zullen worden opgeslagen in de lever, waardoor dit orgaan vervet. De levercellen komen dan letterlijk in de verdrukking. Hierdoor kan de lever zijn ontgiftingsfunctie niet goed uitvoeren. Als het lichaam overschakelt op een vetverbranding komen er aceton-achtige stoffen vrij (ketonen). Deze stoffen zijn giftig. Dit hele proces kan leiden tot algehele malaise, misselijkheid en braken. Ook kan er een acetonlucht uit de bek worden waargenomen. Het hoge bloedglucose gehalte kan bij de hond leiden tot een vertroebeling van de lens in het oog. Dit wordt staar of cataract genoemd. Door het voorkomen van glucose in de urine, is er een verhoogde kans op blaasontsteking. De glucose suiker vormt namelijk een perfecte voedingsbron voor bacteriën. Verder zullen wonden bij honden met suikerziekte slechter of langzamer genezen, door de vertraagde aanmaak van eiwitten.

De diagnose
De diagnose suikerziekte wordt gesteld door het meten van het glucose gehalte in het bloed. Het is van groot belang om te realiseren dat er pas glucose in de urine voorkomt als het bloedglucose gehalte boven de 15 mmol/l is gekomen! Alleen urine nakijken is dus niet voldoende voor de diagnose!! Om te kunnen bepalen of er al langer sprake is van een verhoogd glucose gehalte in het bloed kan ook nog het fructosamine gehalte gemeten worden. Dit is echter bij de hond van minder groot belang dan bij de kat. Verder kan er natuurlijk bij het bloedonderzoek gezocht worden naar achterliggende oorzaken voor de suikerziekte (zie eerder).

De behandeling
Als suikerziekte wordt vastgesteld bij een intacte teef en zeker als de teef een aantal weken tevoren loops geweest is, dan is het van belang om zo snel mogelijk de eierstokken te verwijderen en zodoende de progesteron productie stil te leggen. Indien de diagnose in een vroeg stadium is gesteld, dan is soms een behandeling met insuline niet of slechts gedurende korte tijd nodig. Zeker in het zogenoemde ‘pre-diabetes’ stadium (veel drinken, bloedsuiker te hoog, maar nog geen suiker aantoonbaar in de urine) is het succes van een castratie (dus ook de eierstokken verwijderen) groot. Als is gebleken dat de alvleesklier geen of nauwelijks insuline produceert, dan moet er dagelijks insuline worden toegediend per injectie. De injecties moeten onderhuids worden gegeven op een vast tijdstip van de dag door de eigenaar. Vlak voor de dagelijkse insuline injectie en ongeveer 7-8 uur later moet de hond eten krijgen. In eerste instantie wordt de dosering insuline vastgesteld door uw dierenarts aan de hand van het lichaamsgewicht van de hond en de hoogte van het glucose gehalte in het bloed. De uiteindelijke dosering moet worden vastgesteld door in het begin van de behandeling regelmatig het bloedglucose gehalte te controleren. Dit moet gebeuren op een bepaald tijdstip: ongeveer 7 uur na het toedienen van de insuline en dus vlak voor de tweede maaltijd. Als de dosering insuline eenmaal is ingesteld, dan hoeft de hond slechts 1 x per 3 maanden voor controle te komen. Op dagen dat de hond niet eet of bijvoorbeeld braakt is het noodzakelijk om de dosering insuline aan te passen. Doe dit in overleg met uw dierenarts. Het toedienen van bijnierschorshormonen (prednison) of progesteron preparaten aan suikerziekte patiënten is natuurlijk uit den boze! Verder is het van belang om bij overgewicht de hond onder begeleiding van uw dierenarts te laten afvallen.

Een “hypo”
Met de term “hypo” wordt eigenlijk een hypoglycaemie bedoeld. Dat is een mooi woord voor een tekort aan glucose in het bloed. Een dergelijke situatie kan ontstaan als de dosering insuline te hoog is of als er in verhouding tot de hoeveelheid insuline die is toegediend te weinig voedsel is opgenomen. Ook een plotseling verhoogde activiteit, waarbij dus meer glucose wordt verbruikt kan een mogelijke oorzaak voor een glucose tekort zijn. Het is van belang dat u de symptomen herkent van een glucose tekort bij uw hond: de hond zal wat onrustig of juist heel sloom worden, hongerig zijn, rillerig zijn en in ernstige gevallen zelfs een soort epilepsie aanval kunnen krijgen. Uiteindelijk raakt de hond bewusteloos. De grootste kans op een “hypo” loopt de hond ongeveer 3-7 uur na toediening van insuline. Herkent u de symptomen dan kunt u het beste zo snel mogelijk wat te eten aanbieden. Is de hond niet meer in staat om voedsel op te eten, dan moet u druivensuiker poeder op en onder de tong wrijven. U geeft ongeveer 1 gram per kilogram lichaamsgewicht. Van dit poeder moet u dus altijd 1 of 2 porties klaar hebben staan!

Voorkomen
Suikerziekte komt vaker voor bij teven vaker dan bij reuen. Verder zouden er volgens de literatuur nog een aantal rassen zijn die meer kans hebben op suikerziekte dan anderen: dat zijn de Keeshond, de Puli, de mini Pinscher, de Cairn terrier, de poedel, de mini Schnautzer en de Beagle. We zien het echter bij de meest uiteenlopende rassen en kruisingen.

Dit is een bijdrage van WHG DIERENARTSEN BV te Dodewaard – © 2006


Vragen over je hond? stel ze op het Hondenforum